een mensch kan lijden, wordt er in geleden en alles wat door zuiverheid het hart verheugt, vindt daarin een plaats.
Zijn hoofd is dof, wanneer hij eindelijk ophoudt en zijn keel brandt van dorst. Het is precies middernacht en de huisgenooten zijn dus reeds lang naar bed. Daarom zal hij maar even de straat opgaan. Er is nog wel ergens iets te drinken te krijgen en de nachtlucht zal hem goed doen.
Verlaten is de nacht om hem heen. Zelfs in de hoofdstraten beweegt zich nauwelijks een mensch. In een automatisch restaurant drinkt hij staande een paar glazen bier en is blij, als hij uit deze hel verlichte ruimte weer in de donkere straat komt.
Even denkt hij aan Fannie, die hier een minuut of vijf vandaan woont. Maar hij heeft geen enkele begeerte nu dan te slapen en gaat rechtstreeks naar huis. In den droom ziet hij vele kinderen en hij is zelf ook nog maar een kind, dat toch de wonderlijkheid van het leven beseft en zich daarom van de anderen afzondert. Eenige keeren wordt hij met tranen in de oogen wakker, ofschoon hij sterk dacht te zijn.
196