— Een catapult, antwoordt Kareltje, zonder zich te verroeren.
— Hoe kom je daaraan? Weet moeder dat?
— Nee. Ik heb hem vanmiddag gekregen van Jantje Baars, want die had er twee. Alle jongens hebben er een.
— Zoo. Daar ben ik sterk tegen en die dingen zijn trouwens door de politie verboden. Geef hier!
— Och nee, dat is echt niet noodig. Ik zal er geen steentjes mee afschieten.
— Kareltje, geef onmiddellijk die catapult hier!
Van Swieten springt op en rukt den jongen het ding uit de hand, hem aldus het voldoen aan zijn bevel onmogelijk makend.
Kareltje pruilt niet. Het was slechts een kleine plagerij van hem. Morgen zal hij weer zoo’n catapult hebben, die zijn vader zeker niet te zien zal krijgen. Maar hoe zou die ook kunnen begrijpen, dat een jongen niet bij zijn kameraadjes wil achterstaan? Hij is al zoo oud...
Nu kan Van Swieten in rust zijn dagelijksch bittertje savoureeren en Kareltje haalt, alsof er niets is gebeurd, zijn schetsboek te voorschijn en gaat erin zitten bladeren. Van Swieten voelt zich minder gelukkig dan toen hij thuiskwam. Hij bedenkt hoeveel hij van dit kind houdt en dat het dit waarschijnlijk lang niet voldoende beseft. Maar dra wordt er balsem over zijn hart gestreken. Kareltje komt met het schetsboek op hem af.
— Kijk, vader, ik heb het portret van Annie vandaag af gemaakt!
Tweede Jeugd 13
193