Als zij hun twaalfuurtje gebruiken, gluurt Van Swieten af en toe over zijn reeds tweemaal doorgelezen Maandag-ochtendkrant naar zijn collega. Die zit in diep gepeins op het blad van zijn schrijfbureau te staren. Er is weer een mooi verhaal in hem wakker geworden. Hij grijpt naar zijn vulpen. Nee, het gaat niet, want hij ziet plots de starende oogen van Van Swieten. Vanavond dan maar; zoo leert hij zich beheer-schen. Kom, zal hij niet maar even een blokje omgaan? Het is wel koud, maar...
— Vertel me eens, Bonger, jij bent een muziekkenner, is ’t niet?
— Dat zou ik niet durven zeggen. Hoe dat zoo?
Dan begint Van Swieten een boom op te zetten over Karel-tjes lied en wat Bonger daarvan denkt. Van Swieten blinkt en straalt, want de ander uit alle door hem begeerde prijzende woorden. En Bonger herinnert hem er aan, dat de jongen Zaterdagmiddag met Fie bij hem op bezoek zou komen. Och ja, dat had Kareltje thuis verteld, maar Fie had er niet over gesproken. Wonderlijk van Fie...
— Ik heb je wel eens meer uitgenoodigd, zegt Van Swieten, maar nu is het een speciaal verzoek van m’n zoon. Hij wou zoo graag eens voor je spelen...
— Wanneer zou dat moeten zijn? vraagt Bonger en Van Swietens hart klopt luid.
— Ik wil hem er graag een uurtje langer voor ophouden ’s avonds, antwoordt hij. Dat haalt hij wel in.
— Ja, zegt Bonger, dat maakt niets uit...
Maar Van Swietens zichtbare voldoening beklemt hem.
191