— Vind je Fie niet een lief meisje? vraagt Van Swieten onschuldig.
— Een schat! Ik heb tenminste niets dan liefde van haar ondervonden. Dat blijkt ook wel uit dat mooie cadeau...
— Wat bedoel je? vraagt Van Swieten snel. Dat horloge van jou?... Ja, dat is magnifiek, ze heeft het ons gisteren laten zien...
— Ach nee, dat is niets! Ik bedoel dat cadeau van haar aan mij. Dat étui...
En hij haalt het nog even uit zijn zak. Van Swieten valt bijna uit zijn stoel.
— Je meent toch niet, dat Fie je zoo’n duur ding heeft gegeven? En het kind is zoo arm...
— Dat weet ik natuurlijk niet. Ik mocht het niet weigeren, hè? Al vond ik ’t ook wel wat overdadig...
— Ik begrijp er niets van, zucht Van Swieten.
— Je schijnt met dat cadeau niet veel op te hebben...
Bonger glimlacht fijntjes.
— Nee, beste jongen — Van Swietens stem klinkt bijna aangedaan — ik gun jou alles wat je zelf maar begeert, maar ik vind zooiets toch wel exorbitant voor Fie... Het is goud, ik heb het gezien...
In Van Swietens hart woedt angst. Nu heeft zijn schoonzuster pas nog zoo’n aardig bom geld verdiend (hij zal straks den kassier nog even vragen, of hij het bedrag op haar giro heeft laten overschrijven) en daar zou ze een cadeau van misschien honderd gulden geven?... Daar moet je stapel-verliefd voor zijn. Tenzij Bonger hem in de maling neemt...
190