zijn. Kom dan bij me, dan kan je meteen blijven eten...
Fannie zou wel willen pruilen, maar ze stemt toe, om de zaak niet weer te bederven. Ze kussen elkander. Maar Bonger ziet zijn prins en prinses voor zich en Fannie het nieuwe, gedroomde leven, dat in rook vervliegt.
Het is nog maar elf uur, alle tijd dus, maar toch heeft hij haast. Hij neemt op het pleintje om den hoek een taxi en geeft mevrouw Rijnders snel instructies.
— Roept U me maar niet voor de lunch. En vanavond komt juffrouw Koopmans bij me eten, dus U laat ons wel bedienen, hè? Dank U vriendelijk!
Reeds rent hij de trap op, om aan een uitweiding te ontkomen. De creatieve drift zit hem dicht op de keel. Maar hij schrijft langzaam, veel langzamer dan gisteren, en met vele doorhalingen. Later wordt hij kalmer, rookt vele cigaretten en peinst soms een poos. Als hij het verhaal, met een zucht van bevrijding, heeft voltooid, kijkt hij op zijn horloge en ziet, dat het half vier is. Gelukkig, nog ruim een uur, eer Fannie komt. Hij is moe en wil nog even slapen. Ook heeft hij honger, maar die kan wel wachten tot straks.
Fannie is al voor twaalven de straat op gewandeld, met extra zorgvuldig bewerkte oogen. Ze maakt een urenlange tocht, tot in de buitenwijken van de stad, waar op officieele en geïmproviseerde ijsbanen jong en oud aan het schaatsenrijden is. Ze staat er lang naar te kijken en merkt naderhand pas, dat ze versteend is van koude. Dan gaat ze maar naar Lou. Ze wil een half uurtje voor den af gesproken tijd bij hem zijn. Misschien valt er iets te ontdekken. Maar daar ontmoet
184