maar niemand kon immers weten, wat ze voor hem voelt...
Hij denkt weer aan het verhaaltje, dat hij wil schrijven. Maar het zal niet cynisch zijn, wel zeer melancholisch, en wrang misschien. Van den prins, die na vele tegenslagen eindelijk voor het land van zijn geliefde prinses komt. En dan moet hij de diepe, wild stroomende rivier overzwemmen, om haar te bereiken, bij welke poging al zooveel minnaars zijn vergaan. Alleen wie het zuiver koninklijke bloed in zich draagt, zal over komen. De prinses staat op den oever en aanschouwt hoe de nieuwe pretendent met den stroom worstelt. Reeds kan zij zijn gelaat onderscheiden en het is onberispelijk van adeldom en zachtmoedigheid. Haar hart klopt snel, zij zal hem in haar armen sluiten, zoodra hij aan land is. Maar zie, ook dezen waarachtigen prins is de taak te zwaar. Slechts enkele meters van den oever begeven hem zijn krachten, hij wordt meegesleurd, maar nog in de laatste minuut van zijn leven groet hij haar met oogen vol liefde. En dan, wanhopig, verscheurd door wroeging, stort de prinses zich in den wilden stroom. De dooden drijven naar zee en niemand heeft hun lijken ooit gevonden.
Deze romantiek wil hij sober en simpel op papier zetten en alle huilerigheid vermijden. Met starre blikken kijkt hij naar Fannie en hij hoort niet meer wat ze zegt. In zijn maag roert het zoo wonderlijk en dat komt doordat hij het verhaal moet opschrijven.
— Fannie, zegt hij daarom, ik moet naar huis. Nee, ik ben niet kwaad op je. Ik heb nog iets te doen — voor kantoor, voor morgen... Om een uur of vijf, half zes zal ik wel klaar
183