hoofd speelt een wonderlijk, cynisch sprookje, dat hij wil schrijven, zonder verwijl, en daarom haast hij zich om weg te komen.
Hij trekt zijn jas reeds aan, het moment van scheiden heeft geslagen. O God, het komt — natuurlijk... Met een dierlijken gil springt ze het bed uit en werpt zich voor zijn voeten.
— Lou! Lou! ga niet weg! Laat me niet in den steek... Ik kan niet zonder je leven... Ik verzuip me, als je weggaat...
Tranen, tranen, en al haar trots en hoogmoed schijnen daarop te zijn weggevloeid. Hij tilt haar op en kijkt haar in het gezicht. Maar zij kan hem niet aanzien, want de tranen willen niet ophouden te stroomen. Hij zet haar in een stoel neer en geeft haar te drinken.
— Wees toch kalm, kind. Begrijp toch, dat we niet het onmogelijke kunnen doen, jij niet en ik niet...
—- Ik kan niet buiten je! Alles heb ik voor je opgegeven, m’n leven is voor jou en anders voor niemand meer...
Bevend omklemt ze zijn polsen en hij voelt, dat zoo ze al overdrijft, ze toch veel meent van wat ze zegt.
— Wees dan redelijk, Fannie. Ik heb het immers niet willen uitmaken. Laten we zooals vroeger zijn, maar bind me niet vast. Ik kan daar niet tegen en jij zal er ook niet tegen kunnen.
Dat vindt ze goed, zegt ze, nog schokkend. Het moet dan maar, want als ze hèm niet meer heeft... Ze heeft zich door Susie laten uitschelden en mishandelen, ze heeft Frits den bons gegeven, allen die haar kennen hebben haar bespot —
182