dus ondergaan zij beiden de vervoeringen der liefde. Maar naderhand komt de philosophie, die echter niet zwaarmoedig is. Bonger is verheugd, omdat hij weer in het bezit is van zijn functies. Er is buiten Fannie geen vrouw, in wie hij de liefde kan zien als een essentieele uiting, maar desondanks met een ondefinieerbaar, navrant element van twijfel — omdat hij weet, dat haar honger eindeloos, onbevredigbaar is. Die wonderlijke mengeling van hartstocht en cynisme in Fannie heeft hij eindelijk klaar onderkend, die worsteling om het absolute, tegen alle vernietigende redelijkheid in, te bereiken. En dat zij hem liefheeft, is maar van bijkomstig belang. Het is heele-maal niet uitgesloten, dat haar gespannenheid zich morgen op iets of iemand anders zal richten.
— Ik heb je nog nooit zoo goed gekend als nu, komt Fannie los.
— Ja, ik voel me uitstekend. En ik heb niet eens een dokter gehad. Die verpleegster heeft het alleen klaar gespeeld...
— Mij ’n biet! Je bent hier en je blijft bij mij! Als we nou met het nieuwe jaar eens samen gingen wonen...
— Kan je gelooven! Ik moet toch minstens een maand tevoren opzeggen. En eerlijk gezegd, ik heb zoo’n idee, dat je liefde, als we eenmaal samen zouden zijn, gauw zou uitwoeden.
— Ja, hoor eens, die wijsheid gaat boven m’n pet!
Ach, hij begeert zoo’n verhouding met Fannie immers niet.
Hij wil niet volkomen aan haar zijn overgeleverd. Daarom zegt hij haar, dat de toestand van thans heel goed bestendigd kan blijven. Nu begint ze hem uit te schelden en zegt, dat hij
180