XV.
Het is heerlijk, er op dezen zonnigen, tintelenden Zondagmorgen vroeg uit te gaan en het geluk te ervaren van te leven. Het moet nu al een poosje vriezend weer zijn. Hij gaat rechtstreeks naar Fannie, die hij zeker uit een zaligen slaap zal moeten wakker schudden. De deur van het huis, dat zij mede bewoont, is vrijwel steeds geopend, zoo ook nu. Hij stommelt de drie hooge trappen op, als een dief in deze doodsche stilte. Tallooze malen klopt hij vruchteloos op de deur en eerst nadat hij dit lang niet nieuwe getimmerte met zijn vuist den ondergang nabij heeft gebracht, hoort hij binnen beweging-
— Wie is daar? roept de blijkbaar zeer verstoorde Fannie.
— O, blijf maar maffen. Ik ga al weer...
— Nee! gilt ze en rukt de deur open. Lou! schat! ben jij daar! Je bent zeker uit je bed gerold...
Ze omhelst en kust hem, dat het pijn doet. Ze ziet er wel wat minder frisch uit dan in opgeglansden staat, maar hij vindt haar daarom des te liever. En ze draagt een prachtige, echt zijden pyjama, die dan ook door Frits als cadeau voor de reis was bedoeld.
Deze scène moet wel een éclatant hoogtepunt vinden en
179