het kinderlijke te beschouwen als iets, dat er om zichzelfs wil is en niet om tot een maatschappelijken vorm te worden omgekneed, met andere woorden: te worden verwoest.
Dit zijn Bongers overdenkingen onder het genot van de eerste cigaret, die hij zich na zijn ziekte weer veroorlooft. Dan zet hij zich aan het over lezen van zijn verhaal en hij schept er nog veel behagen in. Hij zal het Kareltje voorlezen en hij zou het wel direct willen doen. Want diens reactie er op acht hij van meer waarde dan die van hemzelf.
Hij moet glimlachen, als hij bedenkt, dat Van Swieten, indien deze een dergelijke opvatting bij zijn collega vermoedde, zeer waarschijnlijk zijn zoon den verderen omgang zou verbieden met een mensch, die zulke alle moraal omverwerpende ideeën huldigt.
178