hand en arm zijn doodmoe, als hij eindelijk zuchtend ophoudt. Het is heel iets anders geworden dan hij zich had voorgesteld en hij begrijpt dat zelf niet. Maar er moet iets goeds in zitten, want hij heeft er zich met al zijn kracht aan gegeven. En als het nevelige gevoel, dat om zijn hoofd hing, langzaam is weggetrokken, begint hij te fluiten, omdat hij zich gelukkig voelt en bevrijd. Dan juist wordt er met een bescheiden geluid op zijn deur geklopt en Lies je komt binnen.
— Komt U weer beneden eten, meneer?
— Welzeker, kind! Wat dacht je? Ik kom dadelijk, hoor!
En mevrouw Rijnders zegt:
— Wat heerlijk, dat U er weer bent!
— Ja, dat ziekzijn begon U zeker te vervelen?
— Mij vervelen? Wat moet, dat moet! Ik denk eerder, dat het U begon te vervelen. Ik ben echt blij voor U...
Dat is waar ook, mevrouw Rijnders is voortdurend vriendelijk voor hem geweest en heeft hem eenige keeren fruit gestuurd, waartoe zij als hospita niet was verplicht.
— Ik moet U nog hartelijk bedanken voor Uw vele attenties gedurende den tijd dat ik ziek was!
— O, niets te danken, meneer Bonger! U bent overigens heelemaal niet verwend. Bezoek hebt U niet ontvangen, nietwaar?
— Nee, ik was er niet op gesteld. U hebt er geen idee van, hoezeer je naar rust verlangt, als je zoo overspannen bent.
— O ja, dat begrijp ik heel goed. Zuster Roos was wel goed voor U, is ’t niet?
175