haar mond, die spreken van een onstuimig, nauw beheerscht verlangen. Haar borst gaat iets sneller op en neer dan gewoonlijk en hij is ook maar een man en voelt een bijna onbedwingbare neiging in zich opkomen, om haar te omvatten en naar zijn, en zeker ook haar, behagen met haar te doen. Maar niet uit liefde, want zoo hij de genade deelachtig wordt, zal het door de kinderen zijn en niet door de vrouwen. Nu weet hij plotseling, dat hij niet was genezen, voordat hij op het Sint Nicolaasfeest kwam. Het was tot dat oogenblik een verdringen van moeilijkheden, maar de levenwekkende illusie was nog niet in hem geboren. Nu is zij er en dit te beseffen doet hem zijn hand langzaam aan Fie’s greep onttrekken. Want wie in eenige liefde groot wil zijn, mist de kracht tot een andere liefde. En indien hij zich op dit moment zwak toonde, zou haar hartstochtelijk smachten in alle hevigheid over hem losbreken en hem misschien ruïneeren.
Fie heeft het opflitsen van de begeerte in zijn oogen gezien en hoe hij zich daarna langzaam aan den ban onttrok. Zij voelt zich diep teleurgesteld, want zij had eenige, misschien veel, verwachting op dezen middag gebouwd. En alles wat er tusschen hen is gepasseerd, wil zij snel nagaan, uit een behoefte om een troostend moment op te roepen. Maar er is zooveel gebeurd en het schijnt alles zoo somber, verward en tenslotte onbeteekenend, vergeleken bij dit oogenblik...
— Ik ga maar, zegt ze eindelijk, hoewel het nog een half uur voor den af gesproken tijd is.
En dan staat zij op, want hij zegt niets en kijkt haar alleen maar aan, met oogen, waarin zij onzekerheid, maar vooral
167