XIV.
Nu is er niets dan vrede en ongedwongen pleizier allerwegen. De patiënt voelt zich weer in het bezit van zijn arbeidsliefde. Maar nu niet meer om afleiding en verdooving te vinden, maar uit begeerte, om zijn plaats in het gareel weer in te nemen. De arbeid om de vreugde, die hij schenkt, zooals het ongeveer in een gevleugelde uitspraak heet.
Zaterdagmorgen staat hij weer aan het telefoontoestel. Maar nu is hij de aanvrager en directeur Vink de opgeroe-pene. Deze verheugt zich van harte, als hij verneemt, dat Bonger Maandag a.s. weer aan het werk hoopt te gaan. — Wilt U wel gelooven, dat ik er niet zoo gauw op had gerekend? vraagt hij. Ja, dat gelooft Bonger graag. Hij had er zelf ook niet op gerekend, hij kon trouwens niet meer rekenen... Maar dat gaat Vink natuurlijk geen steek aan; hij wou hem alleen maar even deze goede tijding overbrengen.
Daarna keert hij terug tot Fie, die reeds eenigen tijd in de weer is, om haar zaken te pakken en zich daarbij zeer goed houdt. Het is middag geworden. Fie is klaar en ze zitten tegenover elkaar, zwijgend, zooals gelieven het kunnen doen. Want Fie heeft zijn hand genomen, zij het dan slechts bij wijze van voorbarig afscheid, maar de schijn is er toch. En hij voelt hoe krachtig die hand is en hij ziet haar oogen en
166