uitgegaan, een paar boodschappen doen, zoodat hij zoo vrij is als een vogeltje in de lucht.
— Dag, lieve kindje, hier is Lou...
— O, Lou, hoe gaat het met je? Jongen, waar blijf je toch... Ik had je al lang verwacht...
Fannie is hoogst nerveus en hij hoort, hoe zij moeite heeft om niet in tranen uit te breken.
— Maar meisje, wat is er aan de hand? Ik ben weer zoo goed als beter en we zien elkaar heel gauw...
— Is de zuster er dan niet meer?
— Wat heeft die er mee te maken? Zoo’n klein beetje jaloersch zeker, hè? Dat vind ik wel aardig...
— Klets nou niet zoo lang! maant Fannie. Ik verlang zoo naar je!...
— Je zal me hebben — Zondagmorgen kom ik. Misschien al Zaterdagavond, maar reken daar niet op, want ’s avonds waag ik me niet zoo graag...
— Draai er niet om heen! Laten we dan voor Zondagochtend af spreken. Kom je bij me?
— Ja, ik kom, lieveling. Ik vind het heerlijk, dat je zoo jaloersch bent...
— Kreng!
Aldus besluit Fannie dit geanimeerde gesprek. Ze huppelt naar huis en valt haar vriendin om den hals, wat deze met een kreet van pijn beantwoordt. Fannie heeft haar dien middag een mep op den schouder gegeven, die ze nog duchtig voelt.
— Meid! jubelt Fannie, Zondag komt ie — Zondagmorgen!
163