— Wie? vraagt Susie onnoozel. Frits?...
— Loop naar de hel met Frits er bij! Maar ga eerst even mee naar boven, dan zal ik je wat moois laten zien.
Daar is Susie natuurlijk zeer benieuwd naar. Fannie loopt naar de kast en grabbelt in eenige mantels en tasschen. Ze scharrelt alles bij elkaar, wat haar aan contanten van Frits rest en gooit dat op tafel.
— God zal me lief hebben! roept Susie uit, hoeveel is er?
Fannie gaat aan ’t tellen. De twee briefjes van honderd
heeft ze bewaard voor na Frits’ afscheid. Maar dan zijn er nog een paar papiertjes van twintig en van tien, benevens wat los zilvergeld. Tweehonderd-zesentachtig gulden in totaal! Wat gaan ze nu doen? Dat is niet moeilijk te raden. Ze gaan naar de Hanekorf, het lekkere kroegje, waar altijd een hoop kornuiten zijn te vinden. Die weten, dat, wanneer Fannie binnenkomt, de avond goed is. Daar vliegt het heele stel al op haar af: Jan en Toon en Piet en Gerrit en Hannie en Fransje en Lenie — al die beste, brave menschen, die hard voor den kost moeten ploeteren en evengoed als zij wel eens een verzetje willen hebben. Fannie vertelt, dat ze die ouwe vetspons den bons heeft gegeven en dat het tusschen haar en Lou weer dik in orde is. Deze mededeeling bezorgt haar eerst vermanende blikken, want het is niet bewezen, dat Lou tegen Frits opweegt — integendeel. Maar als ze daarop laat volgen, dat ze nou eens emmes en tof haar verandering van levensstaat moeten vieren, dan is er geen vijand van haar meer in het lokaal. Eerst rijdt het troepje gespuis in taxi’s naar den bioscoop, omdat de geestelijke genietingen voor de materieele
164