Fannie is de eerste, die het opgeeft. Ze laat zich uitgeput op den divan vallen, maar ze heeft dan ook meer opwinding dan Susie achter den rug. Ondanks haar pijnlijken toestand, kijkt ze Susie niet zonder dankbaarheid aan. Deze is echter minder philosophisch gestemd. Ze valt met haar hoofd op de tafel en huilt en steunt, omdat ze nog nooit in haar leven, iemand zoo’n kans zoo godvergeten heeft zien verpesten. Die gedachte maakt haar weer zoo razend, dat ze andermaal op haar vriendin afvliegt. Maar Fannie geeft, achterover op den divan liggend, Susie een schop tegen de knie, zoodat het schepsel kreunend in elkaar zakt.
Fannie heeft daar geen spijt van. Het was ruimschoots mooi en de zaak is zoo ook al miserabel genoeg. Nu Susie machteloos is, helpt ze haar met liefde bij de verzorging van de pijnlijke knie, hoewel ze voor dank slechts schimpwoorden oogst. Maar och, men kan niet altijd kwaad blijven, want vriendschap is veel schooner dan vijandschap. Als ze wat zijn opgeknapt, voelen ze zich in harmonie met elkander: beiden treurend om wat verging.
— En hoe zit het nou met Lou? vraagt Susie.
— Weet jij het? vraagt Fannie terug, in diepe neerslachtigheid. Ik begrijp er geen steek van. Hij zou Maandag alweer aan ’t werk zijn gegaan en vandaag hebben we Donderdag...
— Dus je gelooft het nog altijd niet, van die zuster?...
— Ach, meid, lig toch niet te zaniken! Ik heb ’m verleden week nog gesproken...
— Hij is misschien nog niet beter. Bel eens op, raadt Susie.
160