— Fannie, zegt hij nog eens, morgenochtend ga je, ja of nee...
— Nee, zegt Fannie en begint echt te huilen, ik kan het niet doen. Ik mag m’n arme moeder niet in den steek laten. Fritsje, luister nou toch, ik heb je zoo lief... Geef me het geld voor de reis, ik zweer je, dat ik uiterlijk over een week bij je ben... Ik zal het zoo heerlijk vinden, om met je samen te zijn... Ik kan niet zonder je, je bent de liefste, de hartelijkste, de royaalste, de beste, dien ik ooit heb ontmoet...
En zoo jammert zij met groote virtuositeit wel een kwartier door. Maar Frits zit zwijgend tegenover haar, wat een veeg teeken is. En als ze voelt, dat haar gejammer weinig helpt, krijgt ze eerst recht reden om te grienen. Want nu is het hopeloos uit tusschen hen — en waar blijft Lou?...
— Fritsjelief, m’n schat — zeg toch eens: mag ik je nareizen?...
Ze valt hem om den hals en dan ziet ze door haar tranen heen, dat hij ook tranen in zijn oogen heeft. Dat stimuleert haar verdriet weer, want hoe zal ze zichzelf ooit kunnen vergeven, zoo’n weekdier te hebben laten loopen? Maar hij schudt van neen en zegt, dat hij het nooit zal begrijpen, maar het is uit, want hij vertrouwt haar niet meer. Dan staat hij op en nu vindt Fannie nog even gelegenheid, om hem een andere zijde van haar natuur te laten kennen. Ook zij staat op, heur haren hangen wild om haar hoofd, haar roodgehuilde oogen fonkelen, haar vuist komt met kracht op de oude tafel neer. Slechts de filmoperateur ontbreekt hierbij.
— Dus je gaat heen? schreeuwt ze. Je laat me in den
158