— Ik had liever, dat jij het me uitlegde! Ik heb nu al een vijftienhonderd gulden aan je zieke moeder verspild...
— Hoe noem je dat? vraagt Fannie in edele verontwaardiging. Verspild?... Lieve Fritsje, het is noodzakelijk, dat je met een beetje meer respect over mijn mama leert spreken...
— Ik laat me toch niet meer door je van de wijs brengen! Je zou me graag kaal willen plukken en dan laten stikken. Laten we er maar geen doekjes meer om winden...
— Doe waar je zin in hebt. Ik antwoord niet op zulke verdachtmakingen!
— O, en je vergeet zeker, dat ik al wekenlang wacht op je allergenadigste toestemming om mee op reis te gaan. Alsof dat niet een reusachtig voorrecht voor je is! Telkens kom je met andere smoesjes aandragen. Ik heb er genoeg van!
— Dat spijt me, zegt Fannie en glimlacht ironisch.
Daar kan hij niet tegen en hij brengt zijn gezicht dicht bij
het hare. — Vertel me nou eens eerlijk, is er soms iemand, dien je iiever hebt dan mij ? Zeg het me, dan weet ik, waaraan ik me heb te houden...
— Maar jongen, je weet toch wel, dat er geen twee zoo-als jij in het heele land rondloopen! Denk je, dat ik zoo’n kans zou laten voorbijgaan? Een lieve, knappe, rijke man, die me alles aanbiedt wat hij heeft... Nee, hoor, je hoeft geen concurrentie te vreezen. Als dat met m’n moeder maar eenmaal voorbij is, dan komt het voor mekaar. En, weet je, ik heb vanmiddag van die beeldige hoedjes gezien. En ik had geen cent meer in m’n zak. Verschrikkelijk, niet? Toe, wees nou eens lief...
156