XIII.
Arme Frits. Er bestaat geen geplaagder mensch op de heele wereld. Het zweet loopt hem van de kruin, als hij er aan denkt, hoe die doortrapte Fannie hem aan het lijntje houdt. Want ze bedriegt hem met open oogen, heeft telkens andere uitvluchten om het vertrek uit te stellen en hem geld uit de portefeuille te kloppen. Nee, zoo dom is hij niet, dat hij dat spelletje niet zou doorzien. Maar wel zwak genoeg, om nog als een hondje haar te volgen. Met zijn middelen zouden honderden vrouwen op slag bereid zijn, hem achterna te gaan, waarheen ook. Maar op deze eene heeft hij zijn zinnen gezet en hij kan zich niet voorstellen, waarom zij niet doet, wat elke normale, verstandige vrouw zou doen.
— Fannie, zegt hij op een middag, je bedriegt me op een schandelijke manier!
— Ober, nog een koffie! roept Fannie. En dan wendt ze zich tot haar begunstiger. — Maar, Fritsje, wat zijn dat nou voor woorden?
— Ja, ik laat me niet langer in de maling nemen! zegt hij en zijn kleine blauwe oogen nemen een strenge uitdrukking aan.
— Dat moet je me toch eens precies uitleggen, verzoekt Fannie onverstoorbaar.
155