bij dikke menschen zeer gevaarlijk is. Maar er bleef den ko-■» ning niets anders over, dan zelf op te staan. Hij waggelde op
den magere toe en riep: — Uit mijn oogen! Daarbij gaf hij hem een duw. Maar nauwelijks had hij hem aangeraakt, of hij zakte in elkaar en was morsdood. En niemand wist, of hij door woede was gestorven of doordat hij iemand met onge-wasschen voeten had aangeraakt. Dat deed er ook niet toe. Men droeg hem ijlings uit de zaal en alsof het zoo behoorde, klom de magere man op den troon en zette de kroon op zijn hoofd, die de vorst had laten vallen. En zoo was hij koning en alle menschen juichten hun mageren vorst toe. Maar het eerste wat hij deed, was het bord kippensoep opeten, dat zijn voorganger had laten staan. En toen vroeg hij er nog meer van en nog meer en ook pasteien en vruchten en gebak en reeds den volgenden ochtend had hij een gezellig buikje. En hij at zoolang hij koning was en dat heeft wel duizend jaar geduurd. Maar toen zakte de troon ook in en verging het rijk, door de dikte van den koning, en dat is nu de heele historie...
Deze vertelling heeft zeer op den lachlust, zoowel van Kareltje als van Fie gewerkt. Het is ook een mirakel, hoe Bonger zich daar plotseling als een compleet verteller heeft ontpopt. Hij is er zelf ook verbaasd van en weet niet in welke wereld hij leeft.
— Je moet nog veel meer vertellen, zegt Kareltje, terwijl Fie hem zijn jasje aantrekt.
— Ik zal zorgen, dat ik een heel vertelselboek bij elkaar heb, tegen den tijd dat we elkaar weer zien, belooft de gastheer.
154