paleis. Toen de wachters hem zagen, zeiden ze tegen elkaar: — Hè, zoo’n koning! Daarmee zou het rijk niet vergaan! Want een magerder man hadden ze nooit gezien. Toch kwam er dadelijk een wacht op den man af en hield er toezicht op, dat hij zijn voeten in den vijver wiesch. — Daar hoef je niet veel aan te wasschen! zei hij, en zoo leek het inderdaad. — Ik heb eerbied voor de wet, antwoordde de magere man, en als ik honderd keer per dag het paleis binnenga, wasch ik met plezier honderd keer mijn voeten!
Daar ging hij, en de marmeren vloeren met de schitterende edelsteenen blonken hem tegemoet. Zoodra hij den drempel had overschreden, voelde hij zich gebieder binnen deze muren. Maar hij was toch voorzichtig en wachtte zijn moment af. Hij kroop in een nisje en trok daar zijn kousen uit. En uit angst, dat iemand zijn vuile voeten zou zien en hem reeds hier zou tegenhouden, rende hij in galop naar de troonzaal. Zijn voeten lieten een zwart spoor op den prach-tigen vloer achter, zoodat menige edelsteen er dof van werd. De magere man vloog de zaal binnen en bleef vlak voor den troon staan. — Wat doe je hier, ellendig, mager scharminkel! schreeuwde de dikke koning, die juist aan een bordje kippensoep wilde beginnen. — Eruit met dien smeerpoes, eruit! Maar het leek wel of al zijn dienaren aan hun plaats waren vastgenageld. Zij bewogen niet en dat was alleen maar uit verrukking, omdat daar zoo’n magere man stond, die. wanneer hij koning was, het rijk zeker nooit in gevaar zou brengen. — Eruit met hem! schreeuwde de koning weer en zijn hoofd werd hoe langer hoe rooder, wat, zooals je weet, vooral
153