over de tuinen niets te zeggen had, omdat hij er toch niet kwam. Maar heusch, als je die troonzaal had gezien, dan zou je den koning niet beklaagd hebben. Hij was zoo hoog — die zaal natuurlijk, niet de koning — dat het onder het groote glazen dak zoo koud was als op een hoogen berg. Maar de menschen op den vloer merkten daar niets van, want beneden leefde men in een warm land. En dan had je eens moeten zien, wat een heerlijke spijzen er den heelen dag voor den koning werden binnengebracht. Den heelen dag? zul je vragen. Ja, het was werkelijk zoo, maar dan moet je niet vragen, hoe dik de koning wel was. Die troon, waarop hij zat, moest wel van heel zwaar goud zijn gemaakt, dat ie niet inzakte onder het gewicht van den koning. Toch waren er menschen, die zich ongerust maakten en zich afvroegen, waar dat op die manier met den vorst heen moest. Want bedenk wel: hij was onsterfelijk en dus was er geen kans, dat er een grens aan zijn uitzetting zou komen. Nu was het wel voorloopig niet te vreezen, dat hij de heele groote zaal zou vullen, maar stel je eens voor, dat de troon onder hem zou inzakken! Zelfs het beste materiaal kon op den duur tegen zoo’n druk niet bestand zijn. Goed, dan maken ze maar een anderen troon, die honderdmaal zoo stevig is. Ja, dat denk je maar! Want die troon was heilig, er mocht geen andere voor in de plaats komen en als hij zou instorten, zou meteen het heele koninkrijk vergaan. Ten minste, dat geloofde iedereen en dus was het ook waar. Je ziet wel, dat het een moeilijk geval was. Den koning dooden ging ook niet, omdat er niemand met onge-wasschen voeten het paleis binnen kwam. De wachters voor
149