Maar Kareltje staat op en gaat naar Bonger toe, die weer in zijn stoel heeft plaats genomen.
— Wat zou jij hebben gedaan? vraagt hij.
Bonger weet direct, waarover het gaat en antwoordt:
— Waarom denk je, dat ik anders dan jij zou hebben gehandeld?
— Dat denk ik niet. Ik wou alleen maar hooren, wat je zou zeggen... Ik zou veel liever hier blijven en moeder ook hier laten komen.
— En je vader dan? Denk nu eens aan dien armen man, die zoo door alle menschen werd geplaagd.
Daar zet ook Kareltje een heel ernstig gezicht bij. Meneer Bonger heeft gelijk. Het zou leelijk zijn om vader alleen te laten en hij luistert nog wel altijd zoo graag naar zijn pianospel. Dan blijft hij stil en Bonger geeft hem een groot boek met platen, die hij aan tafel gaat zitten bekijken.
De beide volwassenen zitten gewichtig met elkaar te fluisteren. Over opvoeding en begaafde en domme kinderen. Slechts een enkelen keer, als een waarschuwing uit een vergaande wereld, hoort Bonger in zich het roepen van de eenzaamheid, die niet daar kan zijn, waar zich vrouwen en kinderen bevinden.
Een nieuwe verrukking is het, gedrieën aan tafel te zitten. Kareltje is stil. Zijn groote bruine oogen glanzen onder het kunstlicht, zijn donkerblonde haren hangen over zijn voorhoofd. Hij lijkt toch op zijn vader, uiterlijk althans.
— Mag ik bij U terugkomen? vraagt hij opeens.
— Welzeker, als je er nog niet genoeg van hebt... Maar
146