Maar Kareltje zit al te teekenen: een arme man en er staan menschen om hem heen met spottende gebaren. En dan tee-kent hij een plaatje, waarop hetzelfde mannetje is afgebeeld met een hoogen hoed op en een wandelstok in de hand en twee poppetjes, met zakdoeken wuivend, staan naast hem.
— Hier, zegt hij en reikt Bonger het papier over, wat hier onderaan staat, beteekent het. Het is de geschiedenis van Andersen...
De plaatjes zijn ongetwijfeld grappig, maar niet onhandig geteekend. Het is zeer duidelijk, wat ze willen zeggen en de bedroefde uitdrukking op het gelaat van den spottenden man is zelfs aandoénlijk.
— Dat is mooi, zegt Bonger. Als jij dien armen man had gekend, zou je hem dan niet tegen die kwade menschen hebben verdedigd?
Kareltje schudt ontkennend het hoofd. — Ik zou waarschijnlijk met ze mee hebben gedaan...
En hij teekent weer verder, nu een scheepje. Maar dit prachtige antwoord gaat Bonger recht naar het hart.
— Ken je dat mooie gedicht van Revius? vraagt hij Fie. „’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U cruysten...” Zoo is het met hem. Hij weet, dat hij ook den heilige zou hebben gemarteld. Een zeldzaam kind...
Fie laat hem het gedicht in een bloemlezing opslaan, want ze kent het niet. Ze vindt het mooi, in zijn heftige zelfbeschuldiging, en plots schiet haar een thema te binnen uit de cantate, die ze Zondagmorgen heeft gehoord. Ze wordt vroom op haar ouwen dag...
145
Tweede Jeugd 10