teekent op het groote vel papier. In zijn naïeve, kinderlijke woorden klinkt het verhaal nog mooier dan zooals het is geschreven. Bonger herinnert zich hoe zijn eigen moeder hem dit vertelde; daarom heeft hij het nu ook genoemd. De gelijkenis werd hem destijds ook uitgelegd en hij heeft erom geschreid. Want hoe graag was hij zelf niet een zwaan geweest. Maar tot op den huidigen dag is hij eend gebleven...
— ... En hij was van alle zwanen de mooiste, vertelt
Kareltje, en de kinderen bewonderden hem allemaal en gaven hem het lekkerste eten. En het leelijke eendje was daar erg blij om, maar toch was hij niet trotsch, want wie goed is, kan niet trotsch zijn. Maar toch jubelde hij, want zoo’n geluk had hij niet gedroomd, het leelijke eendje...
En hij teekent de kindertjes aan den vijver en de slanke zwanen in het water. Het is alles kinderlijk, zijn stemmetje, zijn woordkeus, zijn prentjes. En toch is er iets ernstigs in dit alles, zooals toen hij daar op het podium de kinderen aanvoerde.
Als hij geëindigd heeft, spreekt Bonger noch Fie een woord. Kareltje kijkt hen aan en zegt dan:
— Jullie moeten misschien nog hooren, wat het betee-kent...
— Nee, zegt Bonger, het was prachtig, hoor, heel mooi...
— Laat het hem even uitleggen, vraagt Fie, maar Lou wil het niet hebben. Moet er dan nog bij geschoolmeesterd worden? We weten het immers en uit den mond van een kind klinkt het zoo onnatuurlijk...
— Uit zijn mond niet! Hij is zoo wijs...
144