De tweede jeugd

Titel
De tweede jeugd

Jaar
1939

Overig
roman

Pagina's
255



houdt meer van die kale koppen, zooals meneer Hoevelaken.

— Mag je zulke dingen zeggen? vermaant hem Trees Wat moet meneer Bonger wel van je denken?

— Ja, zegt Bonger — en hij komt naast het kind loopen, omdat hij hem een lekkeren, pienteren jongen vindt — wat moet ik van je denken?

— Wat U wil. Gedachten zijn tolvrij.

— Ik merk het al. Jij durft, omdat Zwarte Piet juist weer is verdwenen. Maar als je ondeugend bent, komt het toch wel op het lijstje voor het volgende jaar.

Fie heeft veel plezier in het geval. Zij kon zich niet voorstellen, dat Lou zoo vlot met het kind zou kunnen omgaan.

— Sinterklaas bestaat niet, zegt hij serieus. Maar het was eigenlijk veel leuker, als hij wel bestond...

Dat geeft Bonger even een schok. Die idiote verstandelijke opvoedingsmethodes!

— Flinke jongens hebben Sinterklaas niet noodig! lee-raart Bonger, die zichzelf niet herkent. Die doen zoo wel alles wat hun gezegd wordt.

— Dan ben ik vast geen flinke jongen!

En hij lacht tegen zijn moeder, die niet weet hoe ze zich moet houden. Maar omdat Jo er niet bij is, besluit ze hem maar te laten gaan.

— Jij houdt zeker erg veel van tante Fie, hè? vraagt hij Bonger.

Kareltje toont ook in dergelijk soort vragen zijn begaafdheid en hij heeft er reeds menigen volwassene mee in verlegenheid gebracht.


140

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.