voor kostbare dameshoeden en heerenschedels te denken.
— Kareltje, hou op! beveelt Trees en zij kijkt hem aan met oogen, waarin Bonger iets van het vuur, dat ook Fie bezit, ziet schitteren.
En inderdaad, na nog slechts drie keer den bal zachtjes te hebben laten op veer en, voldoet de jonge musicus aan het bevel. Men staat reeds in de gang en zijn moeder trekt hem zijn ijsmuts je over de ooren. Dan ziet hij opeens Bonger naast zijn tante staan.
— U bent zeker meneer Bonger, hè?
-- Ja, toevallig wel.
— Waarom toevallig?
— Nou, ik had toch net zoo goed Sinterklaas kunnen heeten?
— Daar hebt U heelemaal geen gezicht voor! beweert Kareltje en zijn moeder trekt hem aan zijn arm.
— Kareltje, niet vrijpostig worden!
Maar hij luistert daar niet naar, want terwijl zij naar buiten wandelen, begint hij opeens over zijn ervaringen op het podium te vertellen, alsof hem die nu pas weer te binnen schieten.
— Heb ik niet goed gespeeld? vraagt hij.
— Wat bedoel je? vraagt zijn moeder.
— Nou, ik heb toch gebogen en geglimlacht...
Daar lachen ze om, want dat vindt hij zeker belangrijker dan de uitvoering van het lied.
— Het was heel mooi, zegt tante Fie.
— Ja, jij neemt me in de maling, dat weet ik wel. Jij
139