ondeugende dingen gehoord — o, heel weinig maar, gelukkig...
Kareltje schijnt juist op dit gewichtige moment heelemaal niet onder den indruk, want hij hoort rustig het relaas zijner pekelzonden aan: dat hij twee jongetjes heeft laten af kijken van zijn schrift en dat hij een keer in wildheid door het bloemperk van den schooltuin is gerend. En hij toont ook geen opwinding als de Sint, met plechtige verheffing van stem, het prijzende gedeelte zijner toespraak aanvangt. Dat hij een ijverige leerling is, betwist Kareltje, in stilte natuurlijk, want zijn vader moet duchtig achter hem heen zitten en dat weet hij heel goed. En dat hij zoo’n knappe jongen is, weet iedereen al lang en wanneer het telkens wordt herhaald, loopt hij maar kans, dat de anderen hem voor een braaf boontje gaan uitmaken en jaloersch op hem zijn.
— Hij staat er nogal nuchter bij, zou ik zeggen, fluistert Bonger tegen Fie.
— Ja, fluistert ze terug, maar hij is ook zoo’n eigenaardig type. Of uitbundig, öf dood-onverschillig. Je moet hem weten aan te pakken...
Dan zegt de meneer, die den bisschop speelt, nog dat Kareltje zoo’n muzikaal ventje is en dat de aanwezigen het aanstonds zullen ondervinden. De jongen moet maar op dien weg voortgaan, dan wordt hij nog een groot man...
Hier voelt Van Swieten iets van protest in zich opstaan. Natuurlijk mag zooiets ten aanhoore van een groot auditorium worden gezegd, maar dan moet Kareltje er niet bij zijn. Intusschen lachen enkele bekenden de gelukkige ouders vrien
134