Als de voorzitter zijn plicht heeft gedaan, schrijdt de Sint binnen. Alle kinderen staan in een kring en zingen een lied van welkomst. Sommige van de grootste kinderen lachen vroolijk, zelfs als de zwarte knecht zijn hoofd om den hoek steekt. Slechts de kleinsten staan er bevend bij. De aandacht van de familie Van Swieten met haar aanhang is natuurlijk op Kareltje gericht. Fie wijst Bonger met den vinger naar hem. Ze kunnen juist zijn snuitje zien en het staat heel ernstig, ofschoon de jongen niet in het geloof aan den Goed-heiligman wordt grootgebracht. Van Swieten is immers rationalist. Het valt den vader tegen, dat zijn zoon erbij staat, alsof hij werkelijk iets te vreezen heeft. Waar is nu die brutale, weerbarstige rekel? Maar Fie verwondert zich daarover niet, want ze weet hoe hij in sprookjes en verhaaltjes kan opgaan. En dit gematerialiseerde verhaaltje beklemt hem zeker, althans in de eerste oogenblikken.
Het is ook zoo aandoénlijk, want verschillende kleinen worden beurtelings toegesproken, met loftuitingen en vermaningen, die streelend zijn voor het oor. En die lieve schatten, die dreumesen, die den grooten man een handje geven — het is waarlijk om een traan weg te pinken. Een slecht mensch, dien deze scène niet met heilige ontroering vervult. Trees krijgt er een blauwe plek van in haar arm, door haar echtgenoot van opwinding er in geknepen. Ze geeft hem een on-zachten stoot terug, maar ze kunnen nu niet verder op dit debat ingaan, want Kareltje is aan de beurt om met des Sints aanspraak te worden gezalfd.
— En jij, Karel van Swieten, van jou heb ik een paar
133