Nu schrijden de knapen en meisjes binnen, keurig uitgedost. En dan zijn daar de mama’s en ook enkele papa’s en tantes zelfs en grootmoeders, al mogen deze laatsten officieel niet tegenwoordig zijn. Maar dat weet niemand, behalve Van Swieten. De directeur drukt handen en buigt en straalt, een monument van beleefdheid, vriendelijkheid, toegewijdheid en andere deugden. De heeren van het schoolbestuur, voor zoover drukke zaken hen niet hebben belet te verschijnen, kijken alles na, alsof er nu nog iets zou kunnen worden veranderd. Van Swieten dribbelt er eenigszins links achteraan, omdat hij toch ook achter de coulissen mag komen, vanwege de medewerking van zijn zoon. De voorzitter van het schoolbestuur, dr. Balke, onderhoudt zich met hem en complimenteert hem. Van Swieten verzekert, dat hij het inderdaad ook iets buitengewoons vindt, wat zijn zoon heeft tot stand gebracht. Maar Trees zit rustig en zonder uiterlijke teekenen van opwinding op haar plaats en wacht op de dingen die komen. Het moederlijk gevoel leeft in haar en ze zal de laatste zijn om de kwaliteiten van haar jongen te kleineeren. Maar ze vindt het niet noodig, daarvan ophef te maken.
Van Swieten komt aangedraafd en iedereen kijkt naar hem, omdat hij er zoo verhit uitziet. Maar men weet, dat hij een respectabel man is en lacht hem dus niet uit.
— Zijn Fie en Bonger er nog niet? vraagt hij zijn vrouw.
Trees, hatelijk, bukt zich en speurt onder de stoelen. — Nee, ik zie ze niet...
Als haar man niet alle vloeken uit zijn studententijd had vergeten, zou hij er nu zeker eenige denken, zoo niet uiten.
131