— Als vader van den dirigent heb je een streepje voor. Trouwens, die directeur zakt in de knieën voor iederen ouderlijken wensch...
— Bel me toch maar even op. Die hoonende opmerkingen van jou zal ik maar niet beantwoorden...
Dan snelt ze nog even naar boven, waar Kareltje in de kinderkamer muziektheorie beoefent. En waarom ze al weggaat, hij had zoo graag een verhaaltje van haar gehoord. Maar ze heeft geen tijd, de volgende week waarschijnlijk, dan is tante weer vrij. En of zij dan nog even wil hooren, hoe prachtig zijn spaarpot rammelt. Er zit ook een biljet van tien gulden in, maar dat geeft natuurlijk geen geluid. Ja, daar weet tante alles van; ze zal zorgen, dat er nog wat bijkomt en wil er een gulden indoen.
— Niet doen, tante, zegt Kareltje. Geef het geld liever voor het feest van de arme kinderen. Die hebben nog niets van me gehad. Ze zouden de opbrengst van de uitgave van m’n liedje krijgen, weet je, maar daar komt voorloopig niets van. ’t Was een idee van vader...
Fie kust hem en zegt: — Hier heb je den gulden en stuur hem dan maar zelf.
Voor Van Swieten is het ietwat bitter, als de jongen hem den gulden komt brengen en hem daarbij herinnert aan zijn goede intentie, die hem zelf geheel was ontschoten.
— Heel aardig van tante Fie, zegt hij, maar er mag gerust iets uit je spaarpot bij. Daar had je ook wel uit jezelf aan mogen denken...
Tweede Jeugd 9
129