De tweede jeugd

Titel
De tweede jeugd

Jaar
1939

Overig
roman

Pagina's
255



— Plaag me nou niet altijd. Je moet beslist komen luisteren! Ik heb er ook een uurtje vrij voor gevraagd.

— Ik moet bij m’n patiënt zijn.

— Kom nou! Hij is toch zeker bijna hersteld. Hij komt toch alweer op straat.

— We maken ’s middags samen een wandeling. Ik kan daar niet van afwijken.

— Breng ’m dan mee! Misschien ben jij zoo knap, dat je ’t gedaan krijgt. Ik heb altijd bot gevangen, bij iedere uitnoo-diging...

Dit denkbeeld lacht Van Swieten opeens buitengewoon toe. Het zal heerlijk zijn, als hij Bonger kan toonen, welk een begaafd kind hij heeft. Misschien dat daardoor zijn onverschillige houding jegens den vader ook zal worden beïnvloed.

— Ik wil er met hem over spreken, zegt Fie. Ik zelf zal het natuurlijk graag hooren. Maar plicht gaat voor pret, nietwaar?

Hij is zulke degelijke taal niet van haar gewend, maar de lichtelijk spottende klank in haar stem ontgaat hem toch. Hij denkt weer: Die twee hangen aan elkaar. Dat ziektegeval is langzamerhand een amoureus geval geworden. Ze verdient het trouwens, ze is lief en ik heb Kareltje...

— Ik ga, zegt Fie, het wordt mijn tijd.

— Dus ik hoor nog van je of je komt.

— Als we komen, zie je ons wel verschijnen.

— Nee, ik moet het minstens toch even den directeur van de school laten weten. De ouders hebben toegang, maar verdere familie en kennissen...


128

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.