Maar Kareltje haalt de schouders op en antwoordt niet. Het lijkt Fie of ze nu nog meer van hem houdt, ofschoon ze weet, dat deze opwelling zeer onpaedagogisch is.
— Kareltje, ga naar boven, je werk maken! commandeert Van Swieten.
Maar Kareltje klampt zich aan tante vast en fleemt om nog even bij haar te mogen blijven.
— Tante is nog niet weg. Ik heb iets met haar te bespreken. Straks kan je nog even bij haar komen.
Van Swieten neemt hem bij de hand en brengt hem de kamer uit. Fie vindt die strengheid absurd, ook omdat het kind op haar is gesteld en hij toch niet het respect voor zijn vader heeft, waaraan deze zooveel waarde hecht.
— Geloof me, zegt Van Swieten, eenigszins als excuus — ik moet hem wel zoo aanpakken. Hij is nu ook al brutaal genoeg.
— Probeer ’t dan eens op een andere manier. Maar ik wil me natuurlijk niet met je opvoedingssysteem bemoeien...
— O, maak je maar niet ongerust. Hij blijft er wel onder! Heerlijke jongen overigens — en zijn gezicht glimt weer van onverholen genoegdoening.
Dan vraagt hij haar: — Weet je, dat er Woensdagmiddag groot feest is?
— Sinterklaasfeest zeker?
— Ja, maar Kareltje dirigeert zelf het lied, dat hij heeft gecomponeerd, je weet wel. Alle kinderen zingen het onder zijn leiding. Wat zeg je daarvan?
— Wat kan ik zeggen? Je bent een kraan van een vader!
127