— Ik voel me beter nog dan gisteren, zegt hij. Ik zou er wel zoo uit willen.
— Ik ook, maar we zullen toch maar wachten tot vanmiddag.
— Jij toch niet? Waarom ga je niet, als je er zin in hebt? Misschien wil je even naar je moeder gaan of wat dan ook...
Hij verbaast zich telkens weer over zijn eigen jovialiteit.
— Dat is lief van je. Maar loop je dan niet weer weg?
— Maar, kind, een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen, ’t Is toch niet noodig, dat jij alleen ’s avonds als ik in m’n kooi lig, er even uit kunt wippen?
— Erg lief van je, zegt Fie weer en ze lacht. Maar als ze even dorst nadenken, zou ze evenzeer kunnen huilen, vanwege het schijnschoone spelletje, dat ze bedrijven.
Maar heerlijk jong is de ochtend en tintelend de wind, waaronder geen zwartgalligheden het uithouden. Er is ruimte om haar heen in de stille straten, waar voor vele vensters de gordijnen nog zijn gesloten. Het is wel een half uur loopen naar het huis van haar zuster. Omdat ze naar de kinderen verlangt, gaat ze erheen, want kinderen kunnen tijdelijk alle groote-menschen-kwalen doen vergeten.
In de keuken vindt ze Trees, bezig met het verzorgen van de kleine Annie. Fie kust het kind. En, wat haar nooit is gebeurd, ze benijdt haar zuster om haar rustigen, huisvrouwe-lijken aard.
Van Swieten heeft haar blijkbaar gehoord. Hij komt de huiskamer uit en begroet haar hartelijk, bijna uitbundig. Hij is ook zoo blij, haar weer te zien. Dadelijk informeert hij
124