— Bijzonder geval of niet, het is altijd verkeerd, als een mensch een hooge borst opzet. De een heeft zekere talenten en de ander heeft ze niet, maar geen van beiden kan dat helpen.
— En als nu eens iemand, die heelemaal geen talenten heeft, een hooge borst gaat opzetten — wat dan?
Het is waarachtig een kruisverhoor. Hij, als jurist en zeker als vader van dit kind, moest daar tegen opgewassen zijn. Bij een normaal kind zou hij het er zeker redelijk afbrengen, dat zou niet eens zoo lang doorvragen. Maar hij betwijfelt sterk of hij tegenover Kareltje wel het figuur slaat, waarop hij als vader zoozeer is gesteld. Het zijn nu eenmaal de lasten, die men als pater van zoo’n spruit heeft te dragen en juist daarom is het zoo noodig, dat hij zijn gezag nadrukkelijk doet gelden...
Maar Kareltje houdt het liever bij zijn moeder. Die deelt wel eens een standje uit, wanneer hij zijn blouse heeft vuil gemaakt of de neus van zijn schoen tegen een steentje stukgetrapt. Maar ze vertelt tenminste nooit van die gewichtige dingen, die kant noch wal raken.
Het is Zondagmorgen en Lou en Fie hebben ontbeten. De zon schijnt door de ruiten, het is helder, vriezend weer, al een paar dagen. Door de straat gaan reeds enkele jongelui met schaatsen onder den arm.
De twee menschen in de kamer zijn nu op heel hartelijken voet met elkaar, want beiden willen, ook voor zichzelf, den schijn vermijden, dat er iets aan de verhouding zou ontbreken.
123