situeerde ouders gaan, is er een waarborg voor, dat alle ondeugden van de kleinen met den mantel der geldlief de worden bedekt. Tenminste, aldus kan men de woorden, zij het ietwat vrij, weergeven.
Van Swieten is dan zeer gelukkig, wat hem niet belet, thuis gekomen, zijn zoon over de knie te nemen, als vergelding voor het door onbesuisdheid breken van een kostbare vaas. De jeugdige musicus geeft echter tijdens deze behandeling geen blijk, ook over vocale talenten te beschikken. En dat is niet kwaad, want tegenover veel gevoeligheid moet een behoorlijke portie hardheid en weerbaarheid staan, dat weet Van Swieten drommels goed.
Den volgenden dag doet hij zijn best, om Kareltje duidelijk te maken, dat die dirigeergeschiedenis aanvankelijk zijn instemming heelemaal niet had.
— Ik wil je zeggen, dat ik het doe, omdat meneer Hoevelaken me uitdrukkelijk zei, dat hij er geen bezwaar tegen heeft. En natuurlijk weet meneer Hoevelaken wel, wat er op school wel of niet mag gebeuren.
— Waarom ben je dan met hem gaan spreken? vraagt Kareltje.
Daar zet zijn vader een extra gewichtig gezicht bij. — Hm, ja, over ’t algemeen ben ik inderdaad van oordeel, dat de ouders zich niet in kwesties, het onderwijs betreffende, hebben te mengen. Maar dit is een bijzonder geval, iets heel onverwachts, begrijp je?
— En zooeven zei je, dat ik nu niet een hooge borst moet opzetten. Als ’t toch zoo’n bijzonder geval is...
122