er niet goed aan deed, maar nu is daar niets meer aan te doen. Laten we hopen, dat je er geen nadeel van ondervindt... Nee, dat zal je zeker niet!
Zij zegt dit met veel overtuiging en hij merkt op:
— Het is toch goed, dat je nog bij me bent...
Dit doet haar hart van vreugde opspringen, want zij hoeft nu niet meer naar een argument te zoeken, om er van door te gaan. En laat zij er dan maar zonder liefde nog eenig voordeel van hebben...
Hij praat verder met een langzame, vermoeide stem en eten doet hij niet meer. Hij wil er zich alleen van vergewissen, dat hij kalm blijft, dat hij ook op een ander den indruk maakt kalm te zijn.
— Wat hebben we vandaag? Dinsdag, niet?...
— Ja, Dinsdag.
— En Maandag wou ik weer naar kantoor gaan. Dat is dus nog bijna een volle week. Waarom kan dat niet?
— Wie zegt, dat dat niet kan? Natuurlijk ga je Maandag weer aan ’t werk.
— Het is dom van me, het was heelemaal niet noodig, zoo lang weg te blijven.
— Och kom, dat hindert niets! Zoo moet je weer wennen aan ’t dagelijksch leven.
— Ja, dat zal wel. Maar jij scheen er ook nog niet goed aan te kunnen wennen. Ik heb je niets kwalijk te nemen, ik had moeten weten, dat jij ongerust werd.
— M’n gerechte straf. Had ik er maar niet tusschenuit moeten gaan. Toe, eet nog wat, je hebt nog niets op!
117