gelaat weer te voorschijn en hij ziet, dat haar oogen dik zijn van het huilen. Maar zij lacht tegen hem, terwijl zij haar handen gaat wasschen.
— Dag, Lou, ik heb je nog niet eens begroet...
Onbegrijpelijke vrouw, maar gelukkig dat ze zoo doet.
— Neem het me niet kwalijk, zegt ze dan. ’t Is nu over, hoor!
— Ik neem het je niet kwalijk, integendeel. Je had alle reden om ongerust te zijn over mijn lange uitblijven.
Dit antwoord kan beteekenen, dat hij niet vermoedt door haar te zijn bespied. En dit ergert haar plots. Zou hij meenen, dat zij, als onverschillig mensch, zich zoo ongerust over hem zou hebben gemaakt? Houd nu op, word niet onredelijk, anders komt de ellende terug. En voorbije dingen moet men voorbij laten.
Ze zitten te eten, hij langzaam en lusteloos, want hij heeft niet veel trek. Het kost hem groote moeite, zijn bezinning te bewaren. Waarom heeft hij ook in dat café niet direct zijn overjas uitgetrokken, maar is eerst een poosje daarmee bij de verwarming blijven zitten? Die hoofdpijn kan de voorbode zijn van een nieuwe kou en alles wat daarmee aan koorts en erger is verbonden. En, wat hem sinds langen tijd niet is gebeurd, hij ziet geen anderen uitweg dan door praten aan zijn gedachten te ontkomen.
— Smaakt het niet? vraagt Fie.
Daar gaat hij gretig op in. — Niet zoo erg. Ik heb wat hoofdpijn. Ik heb een afstraffing verdiend...
— Wat helpt een afstraffing? Ik heb wel geweten, dat je
116