houd je nu nog even goed, verbijt je pijn, druk je nagels in je handpalmen — maar het gereutel, het geschok, het gesnik zijn niet te weerhouden. Hij voelt ontsteltenis en twijfelt of hij dit werkelijk ziet of dat het een hallucinatie is. Hij denkt niet aan Fie, maar aan Fannie, die het hier immers ook zoo hartstochtelijk heeft uitgesnikt en aan alles wat daarop is gevolgd. Maar hij moet kalm zijn en zich niet in de war laten brengen. Het is wel degelijk Fie en ze was waarschijnlijk bang door zijn lange wegblijven. Of is het iets anders?
Hij gaat dicht bij haar staan, maar raakt haar niet aan. Zij ligt met het hoofd voorover in de handen. Dit zijn de onvermijdelijke consequenties, zoo heeft hij het voorvoeld, al kon hij niet denken, dat het zich zoo dramatisch zou openbaren. Hij moet afstand bewaren, er is toch niets aan te veranderen. Inmenging zou hem alleen maar ontzaglijk kunnen schaden. Desondanks is het hem of er gloeiende vonken van ontroering in zijn kalme, koele binnenste vallen. Maar hij wil ze dooven, onmiddellijk, anders zal het vuur weer oplaaien. En dat gaat goed, wanneer hij zit en de oogen toeknijpt en niets ziet, hoort of denkt. Het is een wonderbaarlijk middel. Zoo sterk concentreert hij zich, dat hij bijna op slag buiten bewustzijn is en diep in slaap.
Als hij ontwaakt, is het licht op en Liesje bezig de tafel te dekken. Fie zit in den anderen hoek van de kamer, bij den radiator van de verwarming. Hij kan haar gezicht niet zien, want dat gaat schuil achter een uitgevouwen krant. Hij voelt een lichte hoofdpijn, waarschijnlijk doordat hij te zwaar heeft geslapen. Eerst als het eten is binnengebracht, komt haar
115