cigarettenkoker en die kost maar ƒ 85.—. Zoodoende houdt Fannie nog ƒ 15.— over, precies de prijs van een zilveren beursje, naar Fannies speurende oogen opmerken. Zoo heeft ze tenminste niet den last van nog geld terug te ontvangen.
— Wanneer gaan we nou samenwonen? vraagt Fannie.
— Dat heeft toch niet zoo’n haast? Ik moet eerst weei aan m’n werk zijn. Amuseer je nou nog een weekje alleen, dan zie je me wel verschijnen, want ik moet m’n kuur beëindigen.
De schemering begint al te vallen en het wordt iets fris-scher. Het is goed, dat Bonger thuis is, al voelt hij zich ook perfect. Voor de straatdeur klappen hun zoenen luid dooi de stilte, maar er is niemand die het ziet of hoort.
Boven echter heeft Fie voor het raam gestaan en hen zien aankomen. Ze weet hoe lang hij weg is geweest. Het dienstmeisje vertelde haar, dat Bonger kort na haar de deur was uitgegaan. Duizend angsten en zelfverwijten vervulden haar. Overreden door een auto, uit een gracht opgehaald, bewusteloos in elkaar gezakt — verschrikkingen zonder einde zag ze gebeuren. En nu komt dit er nog bij, dat ze hem daar met die meid ziet opdagen. Die heeft hij opgezocht, daarnaar gaat zijn hart uit! Heeft hij haar zelf niet verteld, dat hij nooit andere liefde dan deze heeft gezocht en begeerd? Als verlamd valt ze in haar stoel en bijt de lippen op elkaar. Waai zij ook aan had gedacht, hieraan niet.
Hij komt binnen en zegt: — Dag, Fie... Maar zij kan geen woord uiten, omdat zij hem liefheeft, onzinnig, onduldbaai — en hij versmaadt haar, hij wil niets van haar weten. En
114