soortgenoot, ze is een persoonlijkheid...
— De man heeft volkomen gelijk, zegt Bonger. Niet dat hij zich op sleeptouw laat nemen, maar dat hij je wil hebben.
Daarvoor krijgt hij een hartelijk knietje.
— Maar weet je, vertelt Fannie verder, nog deze week had het er van zullen komen. Alles staat klaar en hij trappelt van ongeduld...
— Nou, en je gaat natuurlijk!
— Ja, over z’n graf! Ik wist wel, dat het tusschen ons weer goed zou komen, maar natuurlijk was ’t een raar geval.
— Je bent toch immers vrij. Ik zal je heusch niet tegenhouden. ..
— Spook! Weet je wat ik voor dien winkel deed?
— Kijken natuurlijk. Je bent Frits zeker een zilveren tasch of zooiets aan ’t afpingelen.
— Nee, ik heb ’m een honderdje af gegraaid voor een afscheidscadeau voor jou. En daarvoor was ik nou op de been.
Hij wil daar natuurlijk niets van weten, maar Fannie staat er op, dat het wordt gekocht. Ze had juist zoo’n prachtigen gouden cigarettenkoker ontdekt, toen hij haar wegtroonde.
— Kind, ik rook op ’t oogenblik heelemaal niet. En als ik er weer toe kom, kan ik het wel met de gewone verpakking stellen, zooals vroeger.
Maar enfin, voor dezen keer dan, ter eere van hun ontmoeting. Ze wandelen dan weer op straat, stevig gearmd. Fannie hoopt, dat ze Frits zullen tegenkomen. Maar Lou voelt daar niets voor, omdat het scènes zou geven. Ze koopen den
Tweede Jeugd 8
113