pen. Ik wil het nog een weekje aanzien, maar dan wacht ik niet langer...
— Dus het is voor mekaar! juicht hij en pakt haar onstuimig, ofschoon er in het kroegje waar ze zitten nog meer menschen zijn. Maar dat komt er niet op aan, of eigenlijk is het wel aardig. Zoo denkt hij misschien ook nog, dat zij een goed hart heeft en iets maalt om haar moeder, die zij eens met een pook half kreupel heeft geslagen.
In afwachting van het vertrek gaan zij allerlei prachtige dingen koopen: koffers en reisnécessaires en uitgaanskleeren en toiletartikelen en badbenoodigdheden. En omdat de ziekte van Fannies moeder zooveel geld kost en er misschien een professor moet bijkomen en het goede mensch tijdens haar afwezigheid toch niet onverzorgd kan achterblijven, schenkt hij haar een prentje, waarvoor de Nederlandsche Bank duizend gulden over heeft.
Zij denkt nu in haar vrije uren niet aan tippelen en haar vriendin Susie, benevens nog eenige andere dames, evenmin. Men zoekt plaatsen van vermaak op en daar betoonen zich verscheidene heeren in hun doen en laten geïnteresseerd. Aldus besteedt de zieke moeder haar geld in een ommezien van tijd op hoogst nuttige wijze.
Als Fannie en Susie op een vroeg avonduur in elkanders armen, alsmede in het bezit van een lichten kater ontwaken, kust en streelt Susie haar vriendin. Zij fluistert haar in, dat het zoo heerlijk is geweest en hoezeer het te bejammeren valt, dat Fannie nu spoedig moet vertrekken. Maar ze is toch blij voor Fannie en wenscht haar veel plezier.
104