IX.
Hoe heerlijk heeft Fannie Fritsje er tusschen. Hij begint waarlijk ongeduldig te worden. Maar ze houdt hem goed vast en zal wel zorgen, dat hij niet zoo gauw loskomt.
— Alles, alles heb ik voor je over, zegt hij. Ik heb je lief, ik kan niet zeggen hoeveel...
— Dat is ook niet noodig, schat, antwoordt Fannie. Ik geloof je wel, maar ik heb dringend een nieuwen bontmantel noodig, want het wordt bar koud.
— Je zult hem hebben, morgenmiddag gaan we hem samen koopen. Maar heb ik je niet gezegd, dat ik dien winter hier ook afschuwelijk vind en waarom wil je nou niet mee op reis gaan?
Hij schildert haar de genoegens van in een groot hotel te wonen en autotochten te maken en te baden in een lauwe, blauwe zee. Dat is erg verlokkend. Er staat haar niets meer in den weg om het aanbod te aanvaarden dan het idee, dat alles tusschen haar en Lou dan wis en zeker uit is. Frits droomt van in het buitenland te blijven en wanneer ziet ze dit dierbare landje dan terug?
— Je weet, dat m’n moeder ziek is. Het kan gauw afloo-
103