haar arm.
Hij loopt er vreemd bij, let op menschen noch omgeving. Hij moet langzaam aansterken: eerst alleen maar buiten zijn, dan van enkele dingen notitie nemen en ten slotte van alles. Nu is dat nog niet mogelijk, want hij voelt oude waandenkbeelden dichtbij. Dan maakt hij een opmerking tegen Fie en noemt haar Fannie.
— Hoe kom je me nu Fannie te noemen? Weet je, dat ze een paar keer heeft opgebeld?
— Nee, als je me dat niet vertelt...
— En je zei laatst, dat het toch uit was tusschen jullie...
— Je had het me toch wel kunnen zeggen!
— Och, het sop is de kool niet waard...
Hij zwijgt dan verder en wil zich niet kwaad maken. Maar zij heeft moeite om zich niet erg verdrietig te voelen. Wat zit hij nu weer te modderen? Zoo komt er nooit iets van terecht... Het wordt werkelijk tijd, dat ze hieruit komt. Maar telkens als ze er aan denkt, voelt ze pijn. En ieder woord, ieder gebaar van Lou roept iets in haar wakker, dat met geen rationeele overwegingen in slaap is te sussen.
102