schatten de zijne dan er juweelen fonkelden in Alad-dins vaas?
Wat wist een Aladdin van musea vol kostelijke schilderijen, brandend van licht en kleurenweelde, treffend van vormenschoon; wat waren hem de aan-biddelijke lieflijkheden der natuur, wat wetenschap en letteren en muziek״״״? Had hij zelfs zijn juweelen niet eerst voor stukjes glas aangezien, op welker waar-dij hem anderen opmerkzaam moesten maken? Maar ons zijn de sterren tot levende juweelen geworden, die geheimzinnige lichtpunten die eenmaal de spijkers heetten te zijn voor een armzalig blauw gordijn; ons is de vaas des hemels opengegaan, en in de eindeloos-heid zijner diepten, in het trillend kleurenspel zijner immer wisselende spectra, de ijzeren wetten die de bewegingen zijner eeuwig wentelende lichamen beheer-schen, zijn aan onze verrukte ziel wonderen geopen-baard, waarbij iedere sprookjeswereld in het niet valt״
★ * *
HET HOOGSTE GOED״ Zoo ״ ״. zoo rijk is de een-voudige geworden, doordat hij den geest heeft opge-roepen, die hem bij het lamplicht diende ״ ״.
Maar waarom is hem toch het hart zoo zwaar ״,,? Waarom staat hij daar, temidden van zijn schatten, en voelt zich arm, en wendt beschaamd het hoofd af, als de jongeren tot hem komen, en hem vragen naar het hoog-ste goed?
Is het dan toch weer niet het ware, wat hij gevon-den heeft, en zal hij weer terugmoeten in de diepte, om nieuwe schatten te zoeken, de echte ditmaal?
Ik denk aan de klas. De klas, die de achtergrond vormde van den meester, die zijn leven belangwek-kend maakte, en aan zijn bestaan een reden gaf״ Die
190