verdwijnt uit je gezichtskring Kraait geen haan meer naar... !
★ * ★
״Wat ik tegenwoordig doe? Wel, ik houd met mijn compagnon een kassierskantoor ... !"
״ .. ״ Hè ,,, Je zegt.. . ?״
״Ja meneer. Ja, dat is er nu eindelijk van gekomen, dat wij zelf zaken zijn gaan opzetten.*'
״Maar vertel toch... Ik heb je toen uit het oog ver-loren, nadat je voor de kweekschool . . .״
״Ja, dat ongelukkige examen! Och, meneer, wat was ik ongelukkig. Ze begrijpen niet wat een kind dan door-maakt... Maar aan den anderen kant... ik was ״speelsch״ en vroolijk, een ״sagrijn" was ik niet, en zoo kwam ik er over heen. En dan... je moest toch wat doen... Loopjongen worden? Om den dood niet: ik moest en zou nu eenmaal ״hoogerop״. En zoo slen-ter de ik op een kantoor aan, ik zou wel zorgen dat ze niet merkten hoe slecht ik in 't sommenmaken was ... En dit is nu het gekke van het geval: u kunt nooit ra-den, hoe ze me op dat kantoor noemden!״
״Wel.. .?״
״Het rekenwonder!״
״Omdat je er niets van terechtbracht?״
״Neen integendeel: omdat ik het zoo goed deed! Ik had ineens de manier te pakken! Meneer, toen ik er maar belang in stelde, toen ik begreep dat het hier prac-tisch nut had, dat er zaken mee te doen waren, toen kreeg ik er ook een kijk op. En dan: in het gewone rekenen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en dee-Ien, was ik niet slecht; dat is maar een quaestie van oefening, iets machinaals. Maar dat begrijpen en be-redeneeren van die duivelsche sommen, waar niemand ooit om gaf, waar je geen practisch nut van kon zien, van A. die om zóó laat uit een stad vertrekt.. .״
183