DE CLUB IN HET KROEGJE. Nu gaan wij naar een achterbuurtje, naar de binnenste binnenlanden, waar de stammen der Apachen wonen.. , De meester had daar, ergens in een klein, luguber, anarchistisch kroegje, — zóó maar voor zijn eigen liefhebberij! — een club van een stel opgeschoten jongens uit het don-kerst Amsterdam, die hongerig waren, — met den ech-ten, gezonden proletariërshonger, — naar kennis en die hij alles bijbracht wat ze maar vroegen: sterre-kunde en geografie, administratie en taal en rekenen, sociologie en kennis der natuur met al haar wondere verschijnselen..,
Ge kunt het u wel voorstellen, hoe ze daar bij el-kaar waren. Het is nog veel mooier dan de Avond-school van Gerard Dou, die in ,t Rijksmuseum hangt. De schamele tafel en stoelen, de berookte wanden, de lage petroleumlamp en daaronder de jongens, gebogen over hun werk of opziende, in geestdrift en begeerige, vrome aandacht, naar het belichte gelaat van den meester,,,
Het is nog veel mooier zeg ik, want de Avondschool van Gerard Dou, hoe knap ook geschilderd, hoe keurig en met liefde gedaan, mist iets dat dit tafereel in ruimte heeft: het is moreel mooi.
Het is aandoénlijk, te denken hoe die jonge men-schelijke wezens zich uit de donkere diepten der on-wetendheid trachtten op te werken naar de zonnige hoogten van het licht der kennis. Het is roerend, te weten hoe die arme duivels van jongens en die arme duivel van een meester, in het hartje der ellende-buurt, elkander vonden, in één begeerte om de wondere heerlijkheid van het Zijnde te doorvorschen en te die-nen, als de priester en de knapen van eenen heiligen cultus.
Het is zooveel mooier daaraan te denken, dan zich het gezelschap dier studenten voor te stellen, die op
175