blecke gezichtje, wiens ondervoede lichaam en scha« mele kleeren den nood uitschreeuwden, die in de stil-ten der achterbuurten verborgen gehouden werd.
Welk een taak, welk een zending hadden die jonge menschen te vervullen! 0, zij waren er beter aan toe dan die anderen, die onberoerd door den wiekslag van den maatschappelijken molen, ongeschokt en onaange-daan, en onwetend van de geweldigheid van den tijd, die ruimten enkel binnengingen om er hun baantje uit te oefenen en hun boterham in vrede te eten.
Verandering kwam er toch, de stroom voerde allen mee; maar zij gingen willens, en gaven leiding en rich-ting. Zij hadden, buiten het geleerde, iets in zichzelf, en daardoor stevigte genoeg om staande te blijven, toen zoovele oude steunsels der overgeleverde paeda-gogiek hen ontvielen, en nieuwe levensvragen zich vormden en opgelost verlangden te worden.
Zij brachten beter dan het kalf, zij brachten zichzelf in de school en de kinderen konden in hen het voor-beeld zien van een levenden, strijdenden, eerlijken, omhooggroeienden mensch, zooals zij er zelf een hoor-den te worden... Welk een verantwoording, welk een taak echter voor hen die zelf nog zoo vol fouten en zwakheden waren!
En toch, — zij eerst kenden de arbeidsvreugde, zij die niet alleen werkten voor een brok en een rok, maar die met ambitie hun taak konden volbrengen, omdat zij er nog een ander, een wijder perspectief in zagen dan de promotie alleen,
★ ★ ★
HET SCHILDERIJENZAALTJE. Ja, en nu heeft de lezer het zeker al begrepen. Hier zou dan eigenlijk de reeks dier kiekjes uit de klas moeten beginnen, die ik grootendeels al gegeven heb, Ach, ik zie het wel:
172