En dan het summum van overdaad, na een week van kromliggen, als men van n paar bij-elkaar-geschraapte centen elkander een dure sigaar, met een bandje, kon aanbieden; één sigaar, die men in dat voorname café, — het eenige dat den kweekelingen niet verboden was,
want de directeur was streng op dat punt! _ ging
zitten oprooken onder het duurbetaalde genot van juist die vertering, die er, goed uitgerekend, met de fooi op overschieten kon... Zie, dat waren princelijke genie-tingen die weliswaar niet altijd mogelijk bleken, — daar soms het wreede noodlot wilde dat beider zak-geld toevallig tegelijk op was! — maar die toch licht-punten vormden in hun kleine, dwaze, zorgelooze, heerlijke jongensbestaan!
Maar er waren ook wel somberder dagen! Er waren dagen dat *t leek of het niet licht zou worden in hun hart...
En daar zie ik dan onze lamp staan, vriendelijke troosteres dit keer, dicht bij een bed, en in het bed ligt een van de jongens, ziek... Hij is terzijde geworpen, uitgeschakeld, buiten gevecht gesteld, hij met zijn stra-lende jeugd, die nooit genoeg dacht te kunnen krijgen van *t leven,..
En geen moederoog, in zulk een plaats, dat waakt over de jongens .. ״
Het is stil in de donkere avondstraat, en door het opene venster kan men duidelijk hooren, woord voor woord, wat de buurvrouwen met elkander praten, De kost juffrouw, die er haar werk van maakt, jongens te verwaarloozen, staat buiten, vlak onder het raam, en bespreekt haar zaken.
״Wel”, zegt de buurvrouw, ״en die eene jongen van je, hoe gaat het nou met 'm?"
,,Den bleeken?" vraagt de kost juffrouw met haar
151