98 IN DE GOUDEN KLOK.
koor, ook weleens een heksenkoor of een vrouwenstem...
En als je op straat liep, dan hoorde je plotseling een regen van klanken, en het waren de klokken van de torens, die hun lied zongen of kwartierslag gaven. En de wind ruischte langs de grachten, de trams klakkerden, met hun dikke paarden ervoor en gonsden over de bruggen, de venters zongen hun roep, of zij elkander antwoord gaven, en de meisjes met radijs hoorde je over alle brug-gen aankomen, en van alle kanten, in alle toonaarden, haar zangerigen, weemoedig klinkenden roep:
IdDST DDlE (EnT, *n BOS PADljS !
Als je dat hoorde, dan wist je dat het lente was...
Als het parade was, dan klonken de frissche, opwek-kende marschen, dat je oogen begonnen te schitteren, en het signaal van de dragonders, heel hoog en dun, is als felle bloemen, of roode en blauwe strepen, hoog in de lucht... En de matrozen komen soms door een stille straat, met hun fluitje, de tamboer-majoor gaat voorop, hij zwaait en gooit zijn met zilver versierden stok in de lucht. Vader zegt dat zij er misschien wel een gaan begraven, en daarom klinkt de melodie van hun fluit wellicht zoo treurig, op de maat van hun stappen...
Maar het mooiste was nog het kloppen van de straten-makers. Als je de stratenmakers ziet zitten, met hun houweelen de holletjes makend voor de steenen, dat is altijd een aardig gezicht. Het mooiste echter is het liefe-lijk geluid, dat hun houweelen op de steenen maken en dat zoc regelmatig klinkt en waar je allerlei wijsjes in